Mona Keijzer beschuldigt Jetten van kiezersbedrog — ‘Dit is een leugen’
DEN HAAG – De begrotingsbehandeling voor volkshuisvesting en ruimtelijke ordening stond in het teken van een politieke overgangsperiode. Volgens de minister voelt het alsof het nieuwe kabinet “al in de wachtkamer zit” en zelfs “met één been op het bordes staat”. Toch benadrukte zij dat er in de afgelopen anderhalf jaar belangrijke stappen zijn gezet om de woningbouw te versnellen, regels te beperken en bestuurlijke samenwerking te verbeteren.
Luchtig begin, serieuze boodschap
Het debat begon met een korte, luchtige uitwisseling richting Kamerlid Vijlbrief, waarbij de minister grapte dat ze hem al zag “klaarstaan” voor een volgende rol. Nadat Vijlbrief daar fel op reageerde en benadrukte Kamerlid te zijn, schakelde de minister over naar de inhoud. Ze zei haar best te zullen doen om alle vragen te beantwoorden, maar waarschuwde dat ze geregeld zal moeten verwijzen naar een volgend kabinet. “Dat valt me zwaar, want ik heb een mening,” merkte ze op, “maar dat past mij nu.”
“Trots op wat we hebben neergezet”
De minister noemde haar termijn van anderhalf jaar “veel te kort”, maar zei wel trots te zijn op wat er samen met ambtenaren, de Tweede Kamer en lokale overheden is bereikt. Volkshuisvesting en ruimtelijke ordening zijn volgens haar typisch beleidsterreinen waarop samenwerking cruciaal is, omdat Nederland een gedecentraliseerde eenheidsstaat is: provincies, gemeenten en waterschappen spelen hierin een sleutelrol.
Woontop december 2024 als keerpunt
Als belangrijk moment noemde de minister de woontop van december 2024, kort na het regeerakkoord. Daar werd volgens haar een impasse doorbroken: waar eerder “oeverloos” werd gediscussieerd over waar, wat en hoe er gebouwd moest worden, zijn er nu concrete afspraken gemaakt met alle betrokken partners.
Die afspraken gingen onder meer over:
-
Waar gebouwd moet worden: via een traject dat leidde tot het ontwerp van de Nota Ruimte.
-
Wat gebouwd moet worden: met afspraken over betaalbare woningen en 30% sociale huur.
-
Hoe gebouwd moet worden: door bouwen conform het BBL (Besluit bouwwerken leefomgeving), zonder extra lokale “plussen” die volgens de minister het proces telkens vertragen.
Volgens haar zijn deze keuzes vooral bedoeld om eindeloze discussies in de planfase te voorkomen. “Nog voordat er überhaupt een vergunningsaanvraag ligt, ontstaan er discussies over extra eisen. Dat vertraagt gewoon,” aldus de minister.
Minder regels en nieuwe instrumenten
De minister verwees ook naar een programma dat gericht is op het stoppen van “tegenstrijdige, overbodige eisen en regels”. Dat is volgens haar een directe reactie op terugkerende kritiek uit de Kamer over “verstikkende regels” die woningbouw moeilijker maken.
Daarnaast somde zij meerdere concrete maatregelen en projecten op:
-
Doorbraaklocaties, waarbij projecten versneld worden.
-
De Wet regie op de volkshuisvesting, die in de Tweede Kamer ligt en volgens haar zo snel mogelijk behandeld moet worden.
-
De realisatie van 50.000 woningen in NPOV-gebieden.
-
Een nieuwe realisatiestimulans, die ze omschreef als een soort “bouwbonus”: €7.000 per gebouwde woning, bedoeld als een eenvoudige prikkel zonder zware aanvraagprocedures.
“De sfeer is omgeslagen”
Volgens de minister is niet alleen beleid veranderd, maar ook de mentaliteit. “De houding is geworden: het kan wél,” zei ze. Aan verschillende overlegtafels zou de sfeer de afgelopen anderhalf jaar zijn omgeslagen richting verantwoordelijkheid nemen en doen wat nodig is. Ze noemde dat het “begin van het oplossen van het woningnoodprobleem”.
Daarmee, zo stelde ze, komt een volgende minister beleidsmatig en juridisch “in een gespreid bedje” terecht. Wel verwacht ze nog stevige financiële discussies, maar “het huis staat”.
Nog geen 100.000 woningen per jaar
Tegelijk temperde de minister de verwachtingen. Ze zei “geen magische bol” te hebben en erkende dat het probleem niet van de ene op de andere dag verdwijnt. Nederland bouwde volgens haar het afgelopen jaar ongeveer 75.000 nieuwbouwwoningen, terwijl er rond de 100.000 per jaar nodig zijn. Als het huidige tempo en de plannen doorzetten, acht ze het mogelijk dat binnen ongeveer twee jaar die grens wordt gehaald.
Daarbij wees ze erop dat toekomstige maatregelen mogelijk nog extra kunnen opleveren, zoals:
-
ruimere mogelijkheden voor mantelzorg- en familiewoningen in achtertuinen;
-
het vergunningsvrij splitsen van woningen.
Ze zei dat ze dit al uitzoekt, zodat het klaar ligt voor een volgend kabinet.
Oproep tot continuïteit
De minister sloot af met een pleidooi voor voorspelbaar beleid. “Woningbouw vraagt nu niet om nieuwe idealen, maar om bestendigheid,” zei ze. Hooguit zou verdere deregulering kunnen helpen. De sector, aldus de minister, is gebaat bij continuïteit.
“Wanneer komt er een huis voor mij?”
Volgens haar draait het uiteindelijk om de woningzoekenden: starters die tot hun dertigste op zolder wonen, gezinnen die “met dozen” leven door gebrek aan een woning, en mensen die na een scheiding vastlopen. Voor hen blijft één vraag centraal staan: wanneer komt er een huis voor mij?




